© 2023 by Name of Site. Proudly created with Wix.com

 Deze website is gemaakt door:

Bureau Gerrit Smit 

Plattegrond rassen.JPG

De boomgaard

Onze boomgaard heeft meer dan 200 hoogstam fruitbomen van oude rassen

APPELRASSEN

Het meest prominente appelras in onze boomgaard is de John Downii ofwel Kersappel. 

Tot in de jaren '70 van de vorige eeuw bestond in Winschoten de likeurstokerij Phaff. Het gebouw staat nog steeds naast de Tramwerkplaats. Een van de producten waar Phaff om bekend stond was de likeur van kersappeltjes. Toen wij bezig waren met de selectie van de aan te planten rassen, lag de keuze voor de Kersappel dus voor de hand. Inmiddels hebben we de eerste likeur ook al geproduceerd.

Daarnaast hebben we onder meer de volgende rassen aangeplant:

ORANJE REINETTE VAN POMONA

Is de naamgever van onze vereniging. 

Er zijn twee Oranje Reinettes bekend. In het noorden is de Oranje Reinette van Pomona het meest aangeplant. Dit Nederlandse ras is in het begin van de twintigste eeuw gevonden, maar haar precieze herkomst is onbekend. Het is een uitstekend smakende handappel, de vruchten zijn prachtig gaaf, middelgroot, bij rijpheid helder strogeel tot oranjegeel. De vruchten zijn knapperig, zacht zuur met een bijzonder aroma. De schil toont fijne bruine puntjes en krijgt aan de zonzijde vaak een lichte oranjerode gestreepte blos. Middelgrote boom. Pluktijd half oktober, consumptierijp tot in januari.

REINETTE VAN EKENSTEIN

Hand- en moesappel. Volgens de literatuur rond 1830 gewonnen door jonkheer O.R. Alberda van Ekenstein, maar waarschijnlijk ouder. Een appel met deze naam wordt in de 18e eeuw in de archieven van de Menkemaborg (eigendom van Alberda van Ekenstein) genoemd. De middelgrote lichtgroene vrucht is bij rijpheid mooi geel. Het vruchtvlees is vast en zachtzuur, maar de smaak valt soms tegen. De boom is gezond, groeit goed en draagt snel. Plukrijp oktober, consumptierijp tot in november.

BRAMLEY'S SEEDLING

Oude, bekende Engels moesappel, gevonden voor 1813 door Betty Brailsford in haar tuin in Nottinghamshire. In Groningen en Drenthe vaak Sedeling genoemd. Komt in Noord-Nederland regelmatig voor. Grote tot zeer grote vrucht, op zandgrond en in de grasboomgaard meer kleur. De Goliath onder onze appels, zowel qua vrucht als boom. Onovertroffen moesappel en een matige handappel. Alleen geschikt voor boomgaarden of zeer grote tuinen. Grotendeels verdwenen omdat de consument de voorkeur gaf aan moesappels die ook als handappel te gebruiken zijn. Pluktijd tweede helft oktober, gebruikstijd tot begin april.

ZIJDEN HEMPJE (ZOMER, HERFST, WINTER)

Zeer oude handappel. Sporadisch te vinden. De naam verwijst naar het fraai bedauwde uiterlijk van de vrucht. Alle drie types zijn klein tot middelgroot, regelmatig conisch van vorm, aanvankelijk groen, bij rijping verkleurend tot bijna wit met rode streepjes aan de zonkant. Zeer gladde schil. Geel, fijn, zacht vruchtvlees, zacht zuur, aromatisch en heerlijk van smaak. Zelfs gekneusde vruchten kunnen bewaard worden, er komen geen rotte plekken. Ze verschillen vooral in rijpingstijd en bewaarbaarheid.

Het Zomer Zijden Hempje is rijp in augustus en kort te bewaren. 

Het Herfst Zijden Hempje is wat groter."een der fijnste, zoniet de fijnste tafelappel" volgens een publicatie uit 1876. Gebruikstijd begin oktober tot januari. Van dit type staat een negental bomen bij de Menkemaborg in Uithuizen.

Het Winter Zijden Hempje is plukrijp in november tot december en bewaarbaar tot maart.

De bomen van alle drie types zijn steile groeiers, middelgroot tot groot en dragen rijk. Het zijn karakteristieke rassen voor de boerenboomgaard.

ZOETE VEGER

Pot- en zoete handappel. Vroeger bekend in het Zuidelijk Westerkwartier van Groningen, nu heel zeldzaam geworden. De fraaie vruchten zien eruit als die van Reinette van Ekenstein, lichtgeel met een lichtrode blos, maar zijn wat platter. De smaak is zoet, met een aangenaam aroma. Liefhebberssoort. Plukrijp september, enkele maanden te bewaren.

ZOETE VEEN

Ook wel Zoet Veentje of Veentjes genoemd. Zeer oude soort. Kleine, platronde, zoete potappel. Rood tot bruinrode blos en veel roest. Vast vruchtvlees. Gebruikstijd november tot februari.

GRONINGER PIPPELING

Goede lichtzure handappel. Rond 1918 als zaailing in een tuin te Holwierde gevonden. Mooie ronde, tamelijk grote, stevige vrucht, geel van kleur met een flinke blos. Door de stevige groei en ruime takstand is dit ras zeer geschikt als bovenbeplanting in een moestuin. Plukrijp half oktober, bewaarbaar tot april en is dan nog goed van smaak.

GRONINGER KROON

Goede handappel, minder geschikt als moesappel. Omstreeks 1875 gevonden door S.H. Brouwer in Noordbroek en genoemd naar zijn echtgenote Jantje Kroon. Was zeer gewild in het Noorden. Mooie kleine tot middelgrote, wat langwerpige vrucht, groen met aan de zonzijde rode vlekken en strepen. Het vruchtvlees is zacht zuur met een goed aroma en bijzonder rijk aan vitamine C. Pluktijd half oktober, gebruikstijd tot half maart. 

NOORDERKROON

Handappel, in 1934 ontwikkeld uit een kruising van Beauty of Bath met Schellinkhouter op het proefstation voor boomkwekerijgewassen  in Noordbroek. De vorm is min of meer bolrond, de vruchten zijn vrij groot. De grondkleur is geelachtig groen, met een gestreepte levendig rode dekkleur. De smaak is zachtzuur, het vruchtvlees is sappig, stevig en wit. Late zomerappel. Boom wordt middelgroot. Plukrijp eind september.

WINSCHOTER GLORIE

Zoete handappel. Is voor 1940 in de omgeving van Winschoten gevonden. De tuinbouwconsulent Krabbe vermeldt overigens al in 1911 een regionale appel met deze naam in het Oldambt. Volgens de overlevering is het ras gevonden op een doorgeschoten onderstam op een van de kwekerijen rondom Winschoten. Middelgrote vrucht, geel met rode strepen. De smaak is aangenaam zoet met een mild zuur. Lijkt wat op het Honingzoetje, maar de Winschoter heeft een blos en een zweempje zuur. De boom groeit goed en wordt groot en stevig. Consumptierijp september, slechts enkele weken te bewaren.

VEENDAMMER GLORIE

Goed smakende handappel. Rond 1930 door boomkweker Kuiper uit Winschoten gekweekt uit een kruising tussen Bramley's Seedling en Groninger Kroon. Vorm en smaak hebben veel weg van de Groninger Kroon, maar de appel is veel groter. Grote tot zeer grote wat conisch gevormde gele vrucht, met fraai rood gestreepte blos. Boom groeit aanvankelijk sterk en wordt een niet al te grote, fraai gevormde boom. Plukrijp in oktober, consumptierijp tot in januari.

GLORIE VAN HOLLAND

Prima handappel, sappig en zachtzuur. Rijp is het een middelgrote, fraaie appel, lichtgeel met veel oranje en aan de zonzijde rode strepen. Matig tot sterke groeier. Boom blijft klein. Regelmatige en goede drager. Pluktijd eerste helft van oktober, gebruikstijd tot half januari.

WILLEM III

Handappel, streekras, rond 1930 door Luide Mulder uit Midwolde (Oldambt) gevonden. Waarschijnlijk een zaailing van de Princes Noble, omdat deze daarmee wat overeenkomsten heeft. De vrucht is groter, de kleur wat roder en de boom groeit wat sterker. Comsumptierijp oktober - december.

ZOETE AAGT

Potappel. De 'Aagten' vormen een groep zeer oude appels, zoals de Blanke, Rode, Zoete en Enkhuizer. Meestal wordt de, kwalitatief minste, Zoete Aagt aangetroffen. Aagten zijn middelgrote, enigszins langwerpige, scheve en kantige appels, die bij rijping strogeel zijn met rozerode strepen. Het vlees is zeer zacht en zoet. De boom groeit goed, is zeer gezond. Pluk en gebruikstijd september - oktober.

VALKAPPEL

Handappel. Streekras dat tussen 1910 en 1920 rondom Loppersum werd aangeplant en van daaruit breed is verspreid in Groningen en Noord Drenthe. Daar komt deze buitengewoon fraaie appel regelmatig voor. Warm geel met karmijnrode strepen. Middelgrote, smakelijk, zoetzure vrucht. Zeer gezonde, vrij grote boom. Bomen van meer dan 80 jaar zijn geen uitzondering. Laat vruchtbaar, maar dan ook zeer productief. Aantrekkelijk ras voor de liefhebber. Consumptierijp november - december.

PERENRASSEN

GOUDBAL

Fraaie ronde zomerhandpeer. Typisch streekras in de noordelijke provincies. De middelgrote vrucht is bergamotachtig tot breed peervormig. De bijna ronde peer heeft een ondiep oog en een zeer korte steel, gladde schil, witachtig groen met een zachte rode blos. Bij rijping wordt ze prachtig egaal lichtgeel van kleur met lichte grijsbruine stipjes. Moet eigenlijk als de peer begint te kleuren direct van de boom gegeten worden. Aangenaam rinse smaak. Als ze fraai gekleurd is, is ze vaak al melig. Onrijpe vruchten zijn prima geschikt als stoofpeer. De boom groeit sterk en draagt flink. Komt van oudsher in het noorden voor. Vermeld is dat bij de bouw koloniehuisjes in het Fries-Gronings veengebied aan het eind van de 19e eeuw een Goudbal voor het huis werd geplant. De peer is eind augustus rijp en slechts kort houdbaar.

NOORD-HOLLANDSE SUIKERPEER

Zeer vroege zomerhandpeer. Ook wel dubbele Franse suikerpeer en in het Noorden vaak Koningspeer of Suikerpeer genoemd. Wordt vaak als forse boom aangetroffen. Tamelijk kleine tot middelgrote, buikige peer, hardgroen tot geelgroen met wat rood. De smaak is niet bijzonder. Vrij droog en grof, zoet vruchtvlees. Vroege peer die slecht bewaard kan worden. Groen geplukt is ze ook een goede stoofpeer. Vormt grote steile boom met zware stugge takken, die weinig vertakken. Pluk- en gebruikstijd begin augustus.

ZWIJNDRECHTSE WIJNPEER

Heerlijk zoete en sappige handpeer. Waarschijnlijk een oude inheemse peer uit Zuidwest Nederland afkomstig. Wordt in het noorden ook regelmatig aangetroffen. Groengele, tamelijk kleine vruchten. Gezonde groei en regelmatig vruchtbaar. Gemakkelijk in cultuur. De vrucht blijft klein en bij oudere bomen spoedig te klein, waardoor dunnen nodig zal zijn. Bewaarbaarheid zeer matig. Sterke, aanvankelijk steile, later meer uitgaande groeiwijze. Pluktijd tweede helft oktober, korte gebruikstijd tot eind november.

JUT OF JUTTEPEER

Een zeer oude - waarschijnlijk Nederlandse - handpeer. Werd al in de Middeleeuwen vermeld. De Jut is al vele eeuwen in ons land een gewilde late zomer peer. De peren zijn middelgroot tot klein met een dikke taaie schil, grauwgroen, later geelgroen en roestig. Ze zien er wat onooglijk uit, klein en grauw, maar het vruchtvlees is heerlijk en smeltend sappig, wat korrelig en zeer aromatisch zuurzoet. Kan in harde toestand goed als stoofpeer gebruikt worden, kleurt dan roze. Prachtig grote boom. De boom groeit traag maar gestaag tot een grote boom, met een brede piramidale kroon met uitstekende takken. Kan goed tegen strenge vorst, is zeer productief en kan heel oud worden. Laat vruchtbaar. Het ras is verdwenen vanwege het onaanzienlijk uiterlijk van de overigens heerlijke peertjes. Ook de gevoeligheid voor beurtjaren en de slechte bewaarbaarheid van de vruchten, droegen aan haar verdwijnen bij. Een vroege handpeer (september) die kort houdbaar is.

OVERIG FRUIT

KAMPER VENUS

(Chat brulée) Oude, waarschijnlijk Nederlandse, stoofpeer. Kwam in Groningen en Drenthe meer voor dan in Friesland. Boom groeit slecht en is tamelijk schurftgevoelig. De middelgrote vruchten zijn langwerpig flesvormig, geelgroen tot geel en lijken op de Gieser Wildeman, maar hebben meer kleur. De vrucht is groter en fraaier, maar de smaak is minder. Nogal smakeloos, matig zoet en weinig aromatisch.Gebruikstijd november - maart. Kookt lichtrood.

SPIEGELPEER

Oude stoofpeer, waarschijnlijk van Groninger oorsprong. Na lange bewaring geschikt als handpeer. Wordt regelmatig in Noord Nederland aangetroffen. De peren zijn geelgroen met veel kleine lenticellen, aan de zonzijde bruin roest. Om de steel vaak zwarte roestplekken, van waaruit snel bederf kan ontstaan. Wordt daarom ook wel rotneus genoemd. De vrucht lijkt op de Gieser Wildeman, maar is wat groter. Kookt minder goed rood en smaakt wat zoeter en flauwer dan de Gieser. Ook de boom wordt groter en vormt sterk gedraaide zijtakken. Oude bomen geven goede opbrengsten. Pluktijd oktober, gebruikstijd november - maart.

KLEIPEER

Oude Nederlandse stoofpeer met vele streeknamen. Ook wel Winterjan genoemd, in Groningen Mandjespeer. Kleine tot zeer kleine roestige peertjes, die wat op kievitseitjes lijken en in de zon geel verkleuren. Hard en korrelig vruchtvlees, fris zoet en zacht vlezig. Vormt kleine boom met windvaste peren en is daarom ook geschikt als haagboom in boomgaarden. De vruchten blijven lang aan de boom hangen en kunnen dus laat geplukt worden. Uit de handelsteelt verdwenen, omdat de vruchten te klein waren. Zeer geschikt voor aanplant in particuliere tuin. Houdbaar tot maart.

TROSJESPEER

Oude handpeer, die beter in harde toestand als stoofpeer gebruikt kan worden. Zeldzaam streekras uit Groningen en Drenthe. Kwam elders in Nederland nauwelijks voor. De kleine, heerlijk smakende en sappige peertjes groeien in groepjes bij elkaar, vandaar de naam. Ze zijn klein en groen, als ze geel kleuren zijn ze melig. Bij stoven kleuren ze mooi rood. Gezonde groeier. Pluktijd half augustus - begin september.

WESTERLEESCHE KRIEK

De Westerleesche kriek is de enige bekende kersensoort uit deze regio. Hoewel de kersenteelt in het Noorden van geen belang was - men zag slechts hier en daar een Meikers of Zure Morel - werd in de eerste helft van de 19e eeuw in het oosten van Groningen, zowel door particulieren als fruittelers, de Westerleesche Kriek veel aangeplant. Pomologisch gezien is het eigenlijk geen Kriek (zoete kers), maar een Waal (zure kers). Van de Walen is de Morel het bekendst. K. Bos uit Sappemeer vond deze halverwege de 19e eeuw als zaailing en gaf haar de naam Westerleesche Kriek. Ir I. Rietsema beschrijft dit ras in zijn proefschrift: Beschrijving en rangschikking van de in Nederland voorkomende kersenvormen (Wageningen 1928) en vermeldt, dat deze kers in het Groningerland veel werd geteeld. De vrucht is vrij klein en erg zuur. Ze is wat plat, granaat- of bloedrood van kleur en zeer zacht. De pit is tamelijk klein. Ze is van weinig waarde voor de directe consumptie, omdat de smaak te zuur en de vrucht te klein is. Eigenlijk is ze alleen voor verwerking geschikt. Ze werd door de industrie graag gekocht voor bereiding van sap en vruchtenwijn. Ze barst niet bij regen. De boom is vroeg vruchtbaar. De bloei is laat (eerste helft van april). De rijptijd is erg laat (eind juli, begin augustus). Waarschijnlijk is dit ras zelffertiel. De boom kan door opslag worden voortgekweekt (wortelecht). Het is een zwakke groeier en de boom blijft klein. Hoewel de vruchten en de bladeren wat kleiner zijn dan de Morel, wordt de boom zelf wel wat groter. De kroon is sterk vertakt en groeit goed op zand- en kleigrond. Rassenlijsten uit de jaren veertig vermeldden dat de boom veel werd geteeld in Groningen en Drenthe, maar waarschijnlijk niet op zou kunnen tegen de morel. Die vrees is terecht gebleken.

OVERIG BOOMFRUIT

Walnoot, Hazelnoot, Mispel en Kweepeer

Op veel erven en in veel tuinen stonden hazelnoten. Vroeger waren ze op zandgronden een vast onderdeel van de randbeplanting van het boerenerf. Bij de grote boerderijen vormden ze een onderdeel van de siertuin. 

Incidenteel trof men er een Mispel aan en alleen op grotere erven, soms een vaak zeer grote walnoot. Kweeperen kwamen slecht sporadisch voor. In het geval van Walnoot en Mispel betroffen het gewoonlijk zaailingbomen. Bij de walnoot kwam dat omdat men vroeger niet in staat was deze te enten. Een zaailingnoot kent een zeer lange jeugdperiode (vaak meer dan 10 jaar) voordat de eerste vruchten verschijnen en wanneer de boom eindelijk droeg, bleken de vruchten vaak niet te voldoen. Slechte nootkwaliteit, grote ziektegevoeligheid, onvoldoende winterhardheid maakten dat de resultaten vaak teleurstelden. Tegenwoordig zijn gespecialiseerde telers in staat goede walnootrassen door middel van enten te vermeerderen. Hetzelfde geldt voor hazelnoot en mispel. Hoewel hiervan lang goede oude rassen in omloop waren, heeft het in het Noorden van het land aan handelsteelt, met geselecteerde rassen, ontbroken. 

RODE EIERPRUIM

Zeer oude Nederlandse pruim, die door de Noordelijke Pomologische Vereniging is teruggevonden. Geschikt als dessertpruim en keukenpruim. Herkomst onbekend, maar al door Knoop (1758) beschreven. Zoals de naam al zegt, heeft deze pruim grote tot zeer grote, rode, ei-vormig langwerpige vruchten, die bovenin wat flesvormig zijn. Verder heeft ze een vlakke naad, die de vrucht in ongelijke helften verdeeld. Deze pruim lijkt op de Reine Victoria, maar is duidelijk groter. Zachtrood tot helder violet, aan de zonzijde. Soms marmerachtig gevlekt. Ook de boom, met haar hangende takken, lijkt op die van de Reine Victoria, maar is forser. De bladeren zijn zelfs veel groter. De pruim is sappig en heeft tamelijk zacht geel vruchtvlees. De pit laat gemakkelijk los. Vruchten die te weinig zon hebben gehad, blijven smakeloos. Boom groeit sterk en vraagt een ruime, luchtige en zonnige standplaats. Rijptijd eind augustus, begin september.

OPAL

Hoewel een vrij modern ras (in 1925 gekweekt door K. Statens in Afnarp, Zweden), dat pas na de Tweede Wereldoorlog in ons land is geïntroduceerd, mag de Opal, als vroege pruim met bijzonder goede eigenschappen, in de fruittuin niet ontbreken. Het is de lekkerste vroege pruim en weinig gevoelig voor ziektes. De paarsrode vruchten zijn vaak wat klein. Het groene vruchtvlees is zeer sappig en heeft een buitengewoon goede smaak. Draagt vroeg, geeft een grote opbrengst. De boom groeit sterk en bestuift zichzelf. De pit ligt los in het vlees. Rijptijd eind juli - begin augustus.

MONSIEUR HATIF

Zeer oude Franse soort, ook bekend als Perzikpruim, Blauwe Franse Wijnpruim of Early Orleans. Vrij grote, ovaalronde, paarse vrucht. Geelachtig groen, sappig, zoet aromatisch vruchtvlees met zeer goede smaak. Soms wat melig. Pit los van vruchtvlees. Schil is vrij taai en scheurt in sommige jaren. Vruchtdunning is gewenst. Sterke groeikracht. Vormt brede platte boom. Pluktijd van begin tot half augustus. Hoge maar onregelmatige opbrengst.

MIRABELLEN

Er zijn meerdere Mirabelle soorten; de bekendste zijn de Mirabelle de Nancy en de Mirabelle de Metz. Regelmatig worden er ook "wilde"mirabellen aangetroffen, zaailingen of Wichter. Mirabellen zijn kleine gele, soms geelroze pruimen. Het zijn prima dessertpruimen die ook ingemaakt of gekonfijt kunnen worden. Het vruchtvlees is tamelijk stevig, redelijk sappig en zeer zoet. De smaak is zeer goed, met een speciaal aangenaam gesuikerd aroma. De kleine bomen zijn erg gezond en zeer vruchtbaar. Ze zijn zelfbestuivend. Pluktijd augustus.

Alle beschrijvingen komen het boek Oude Fruitrassen in Noord-Nederland van de Pomologische Vereniging